Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
BWV 140 (Johann Sebastiaan Bach)
Wachet auf, ruft uns die Stimme, BWV 140
Boy Soprano: Alan Bergius
Tenor: Kurt Equiluz
Bass: Thomas Hampson
Chorus master: Gerhard Schmidt-Gaden
Tölzer Knabenchor
Conductor: Nikolaus Harnoncourt
Concentus musicus Wien     
Oefennummers.
Toelichting:
Bach componeerde zijn populairste en meestgespeelde cantate BWV 140 voor 25 november 1731, in de periode dat hij allang geen wekelijkse cantates meer placht te schrijven, maar omdat het kerkelijk jaar plotseling een zevenentwintigste zondag na Trinitatis bleek te bevatten, wat slechts optreedt in die zeven procent van de jaren dat Pasen zeer vroeg, tussen 22 en 26 maart valt. Pas in 1742 kon Bach BWV 140 nog eens uitvoeren. De kerk leest op deze zondag de verzen 1-13 uit het 25e hoofdstuk van het evangelie van Matteüs, de parabel van de wijze en de dwaze maagden: de laatsten missen het bruiloftsfeest omdat ze geen olie voor hun lampen gereed hadden toen de bruidegom arriveerde. Bach baseert zijn cantate op het koraal Wachet auf, ruft uns die Stimme (1599) waarvan de tekst en muziek (evenals van dat andere beroemde koraal Wie schön leuchtet der Morgenstern) werden geschreven door de dominee Philipp Nicolai toen hij dagelijks tientallen slachtoffers van de epidemie in zijn gemeente moest begraven. Hoewel Nicolai expliciet aan de kluge Jungfrauen (de wijze maagden) refereert, ontwijkt hij de vermanende strekking die de parabel primair heeft (en deelt met andere liederen, teksten en cantates voor deze laatste zondagen van het kerkelijk jaar), en schrijft hij een troostlied dat zich concentreert op het verwachtingsvol uitzien van de gelovige ziel, de anima, aar de vreugdevolle ontmoeting met de aan het einde der tijden wederkerende heiland, een ontmoeting die conform de piëtistische bruidsmystiek wordt voorgesteld als de vereniging van een bruid, de kerk, met haar bruidegom, Christus. Met BWV 140 voegt Bach een exemplaar toe aan zijn onvolledig gebleven jaargang koraalcantates die hij hoofdzakelijk in 1724/25 schreef, maar wel een a-typisch exemplaar. Omdat Nicolaïs koraal slechts drie coupletten telt komt Bach tekst tekort voor een zes- of zevendelige cantate; slechts één enkel 'binnencouplet' zou geparafraseerd moeten worden tot twee recitatief/aria-paren. Daarom besluit Bach enerzijds de letterlijke tekst van alle koraalcoupletten te gebruiken zoals gebruikelijk in het ouderwetse per-omnes-versus type koraalcantates. Maar anderzijds voegt hij - van de hand  van een onbekende maar onmiskenbaar piëtistische tekstdichter - vrije poëzie toe die hier dus geen koraalverzen parafraseert maar de bruidsmystieke interpretatie accentueert met liefdeslyriek, voornamelijk ontleend aan het Hooglied. Deze teksten voor twee recitatief/duet-paren voegt Bach in tussen de koraalverzen; ze geven de cantate een symmetrische structuur: koraal - recitatief+aria (duet) - koraal - recitatief+aria (duet) - koraal. Terwijl de vocale bezetting van de cantate bescheidener is  (er ontbreekt een altsolo) is de instrumentatie rijker dan gewoonlijk: naast continuo, strijkers en twee hobo's, spelen er een althobo (taille),  een violino piccolo, dat is een kleine, een terts hoger gestemde viool ('terts-viool') en, ter versterking van de aan, een corno waarmee Bach vermoedelijk een schuiftrompet bedoelde.

Bron: Eduard van Hengel
Terug naar de inhoud