Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
BWV 182 (Johann Sebastiaan Bach)
Jean-Sébastien Bach - Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Kantate  BWV 182 - Himmelskönig, sei willkommen  
Palmsonntag (Palmarum)
Mariä Verkündigung (25. März)  
Uraufführung  Weimar - 25.03.1714
Alt -  Paul Esswood
Tenor Kurt Equiluz
Baß  Robert Holl
Tölzer Knabenchor Gerhard Schmidt-Gaden
Concentus musicus Wien - Nikolaus Harnoncourt
Oefennummers.
Cantate 182 is de eerste die Bach schreef nadat hij de promotie had gekregen waarop hij zo lang had gehoopt: van organist tot concertmeester aan het hof te Weimar, met de verplichting (kans!) om maandelijks een nieuwe cantate te schrijven. Bach presenteerde zijn artistieke visitekaartje op Palmzondag 25 maart 1714, wat toen toevallig samenviel met de feestdag Maria Boodschap (Annunciatie, 25 maart). Omdat er later in Leipzig geen muziek mocht klinken in de lijdenstijd, met uitzondering van Maria Boodschap, werd dat de uiteindelijke bestemming voor BWV 182; bij de eerste gelegenheid in Leipzig (25 maart 1724) voerde Bach de cantate opnieuw uit. BWV 182 deelt enkele kenmerken met de twee volgende cantates die Bach in Weimar schreef (BWV 12 en 172). In alle drie de gevallen kreeg Bach zijn tekst vermoedelijk van de Weimarer bibliothecaris en hofpoëet Salomo Franck (1659-1725), een destijds dus al wat oudere man, die maar schoorvoetend toegeeft aan de ‘moderne' behoefte aan recitatieven en aria's in kerkmuziek. Bachs eerste Weimarer cantates bevatten daardoor slechts één recitatief, en dat nog niet op een vrij gedichte tekst, maar op een bijbelpericoop. Diverse aria's en koren volgen dus op elkaar, zonder tussenliggend recitatief. En ook is er nog niet het slotkoraal dat zijn later te Leipzig gecomponeerde cantates steevast besluit. Het instrumentale ensemble heeft, omdat het moet passen op het bescheiden koorbalkon van de Weimarer slotkapel, slechts kamermuzikale proporties: naast een solistisch bezette blokfluit en viool treffen we er nog de ´ouderwetse´ gesplitste altviolen aan; in de hele cantate komt zelfs geen tweede viool voor. In de koren speelt de violoncello een partij die niet samenvalt met het continuo. De tekst van de cantate sluit aan bij de evangelielezing voor Palmzondag (Matthäus 21: 1-9) die Jezus' glorieuze  intocht in Jeruzalem (Sion) behandelt, waar hij overigens korte tijd later zal worden gekruisigd. De cantate volgt de gebruikelijke uitleg die aan deze tekst werd gegeven: moge Jezus in ons hart even feestelijk worden ontvangen als in Jeruzalem: laß auch uns dein Zion sein.

Bron: Eduard van Hengel
Terug naar de inhoud