Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
HWV 67-Solomon (G.F. Händel)
SOLOMON HWV 67 Oratorio in three acts by Anonimous SOLOMON: Andreas Scholl SOLOMON'S QUEEN: Inger Dam-Jensen FIRST HARLOT: Alison Hagley SECOND HARLOT: Susan Bickley QUEEN OF SHEBA: Susan Gritton ZADOK, THE HIGH PRIEST: Paul Agnew A LEVITE: Peter Harvey Gabrieli Consort and Players - Paul McCreesh (on authentic instruments)
Toelichting
Dit oratorium van Händel is een nogal statische affaire, maar het is gevuld met muziek van de meest serene en treffende aard. In de drie delen worden drie aspecten van koning Salomo’s majesteit belicht. Het eerste gaat over zijn vroomheid en zijn huwelijksgeluk, het tweede over zijn wijsheid rond zijn oordeel over de strijd tussen twee hoeren over een baby en het derde over het bezoek van de koningin van Sheba.
 
 
Achtergronden
 
De eerste uitvoering van Solomon, één van Händels weelderigste en pakkendste oratoria, op 17 maart 1749 vond plaats op het moment dat Engeland in de ban was van een uitbundige viering van het einde van de Oostenrijkse Successieoorlog door de vrede van Aken die Maria Theresia het recht op de Oostenrijkse troon gaf.
 
In Londens Green Park stond een ruim dertig meter hoge constructie waarop de niet erg geliefde, onbehouwen Engelse koning George II te midden van Griekse goden was afgebeeld.
 
‘Record him, ye bards, as the pride of our days… Ev’ry object swells with state, All is pious, all is great’. Dit vormt de kern van Solomon, een werk waarin het Georgische Engeland wordt verheerlijkt via een impliciete historische vergelijking.
 
Het oratorium is eerder pantheïstisch (denk aan Miltons ode L’Allegro) dan eng Christelijk, meer een pastorale idylle en historisch schouwspel dan een dramatisch relaas met de strijd van beide hoeren als enig moment van opwinding. Dat Salomo hier als een toonbeeld van een monogame vorst wordt voorgeschoteld, terwijl hij als Bijbelse figuur juist een onbeheerste rokkenjager was, is nogal frappant.  Plechtig ceremoniële episodes staan naast passages vol lyrische vervoering.
 
Dit geldt vooral voor het glorieuze eerste deel waarin Salomo en de koningin na een groots begin erg weinig meer doen dan in steeds sterkere mate sensuele vleierijen uitwisselen.
 
Händel plaatst de handeling steeds  in een fraai contrast tussen ceremoniële plechtigheid en pastorale idylle. De koren schilderen precies de bijbehorende stemming. Het tafereel tussen de beide hoeren is briljant gekarakteriseerd, de aria’s voor de andere belangrijke figuren zijn in Händels meest welgekozen vorm, terwijl de Sinfonia (een masque) die de aankomst van de koningin van Sheba (op muziek die oorspronkelijk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk niet voor dit oratorium werd geschreven) begeleidt vanzelfsprekend heel bekend werd. Feitelijk moet dit gedeelte worden beschouwd als een gecodeerd verzoek om opdrachten en artistieke steun. De première vond plaats in Covent Garden.
 
Opvallend is natuurlijk dat de componist bij de solisten overheersend vrouwen inzet (alleen de priester Zadok en een Leviet zijn daarop de uitzonderingen).
 
Voor de uitvoering verwachtte de componist ‘meer dan honderd stemmen en instrumentalisten’, een voor die tijd erg groot aantal. Maar ja, de meestal achtstemmige koren (inclusief het prachtige ‘nachtegalenkoor’ aan het slot van deel 1) vergen ook nogal wat zangers en het orkest was groots en omvangrijk bezet. Opvallend ook dat elk der vrouwen slechts in één der drie delen verschijnen
Terug naar de inhoud