Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
Mis in Es (Franz Schubert)
Franz Schubert - Mis in Es nr. 6, D 950
Radio Filharmonisch Orkest
Groot Omroepkoor
Philippe Herreweghe, dirigent
Christina Landshamer, sopraan
Marie-Claude Chappuis, alt
Maximilian Schmitt, tenor
Sebastian Kohlhepp, tenor
Florian Boesch, bas
Opname 12 december 2014 Vrijdag van Vredenburg in TivoliVredenburg, Utrecht
Oefennummers:
Mis in Es groot D 950
In juni 1828, enkele maanden voor zijn dood, begon Schubert aan de compositie van deze mis, die naar alle waarschijnlijkheid bestemd was voor de Dreifaltigkeitskirche in de Weense voorstad Alsergrund. Het werk werd daar ook voor het eerst uitgevoerd, zij het pas op 4 oktober 1829, bijna een jaar na Schuberts dood, onder leiding van diens broer Ferdinand. Johannes Brahms verzorgde in 1865 de eerste uitgave.
Als enige van Schuberts missen is in dit werk geen orgel voorzien, waarmee hij zich nog een stap verder van de kerkelijke klanktraditie verwijdert; wel verlangt de bezetting een op de fluiten na vrijwel compleet symfonie-orkest. Een andere bijzonderheid is, dat deze mis duidelijk romantische en symfonische elementen bevat die doen vermoeden, dat Schubert bij het componeren ervan ook de mogelijkheid van een concertante uitvoering voor ogen heeft gehad, hoewel het tijdens zijn leven (nog) niet was toegestaan, religieuze werken buiten de kerk uit te voeren.
Opvallend is ook, dat de solisten veel minder en pas veel later in actie komen dan in Schuberts vorige missen; maar als het tenslotte gebeurt, n.l. bij Et incarnatus est in het Credo, is de uitwerking bijzonder aangrijpend.

Al meteen bij het begin van het Kyrie wordt men getroffen door de grootse eenvoud van de door een ostinato basritme gedragen inleidende maten. De koperblazers (3 trombones!) zorgen voor een enorme klankrijkdom en ondanks het ontbreken van gewijde kerkklank van het orgel weet Schubert hier toch ook innerlijke wijding aan te brengen. Het Christe Eleison, bij uitzondering alleen door het koor gezongen, is een bijzonder indringende bede; de melodie ervan is ontleend aan het tweede thema uit het Allegro in a mineur voor piano vierhandig, D 947, later “Lebensstürme” gedoopt, dat Schubert kort tevoren had gecomponeerd.

Het Gloria begint a capella; dit doet Schubert in geen enkele andere mis. Ook verderop in dit deel komen vaak korte a capella-koorpassages voor. Het enigszins syncopische vervolg verschaft de tekst een sterke nadruk. Het dansende gratias agimus tibi , waarvan de woorden, net als in de mis in As, na elk van de regels 13 t/m 16 worden herhaald, wordt gedragen door de houtblazers; daarna volgt een reprise van de beginregels van het Gloria. De dreigende kracht van het Domine Deus, ondersteund door de koperblazers, wordt beantwoord door het zachte, smekende miserere nobis. In het Qui tollis zijn het de trombones die een gezang van gregoriaanse eenvoud en grootsheid inzetten. Het Quoniam is melodisch een reprise van het Gloria. Het Cum sancto spiritu tenslotte kreeg opnieuw de vorm van een volledig doorgecomponeerde fuga, waarvan het themaontleend is aan bachs fuga in E-groot uit boek II van het wohltemperierte Klavier.

Het Credo bestaat uit een Moderato, een Andante (Et incarnatus est), een gewijzigde reprise van het Moderato (Et resurrexit) en een afsluitende fuga (Et vitam venturi). In het variëren van steeds hetzelfde thema in het Moderato, wat niet vanuit de mistekst te verklaren is, toont Schubert zich meer componist van symfonische dan van liturgische muziek. In het Et incarnatus est, een mooie, zij het ietwat zoetelijke melodie met een wiegend ritme in 12/8 maat, waarin zowel tederheid als ontzag doorklinken, treden zoals gezegd voor het eerst de solisten op. Het direct volgende, indringende Crucifixus verhoogt de dramatiek. Zeer ongebruikelijk is, dat hierna een reprise van het Et incarnatus est en het Crucifixus volgt, hetgeen een ingreep in de samenhang van de liturgische tekst betekent. Heel eigenmachtig interpreterend zou men hieruit kunnen opmaken dat Schubert, in plaats van in een wederopstanding uit de doden – die hij immers vanaf zijn tweede mis uit de tekst verbant – meer gelooft in een eeuwige kringloop van leven en dood, waar het veelvuldig door hem getoonzette Gesang der Geister über den Wassern van Goethe ook van getuigt.

Dan volgt de inzet van het Sanctus, met blazers-begeleiding en gedragen op het kloppende ritme van de strijkers. Dit deel kan worden beschouwd als een gerijpte “wederopstanding” (Newbould) van hetzelfde deel uit de eerste mis in F, D 105. Schubert creëert hier een ontzagwekkende sfeer door de opeenvolging van ver-verwante mineur-akkoorden. Het afsluitende Osanna is fugatisch opgezet.

Het Benedictus heeft een rondo-achtige vorm door de afwisseling van een melodieus eerste thema van de solisten, dat telkens in enigszins gewijzigde vorm terugkeert en waarop het koor met een tweede, krachtiger thema antwoordt. Ter afsluiting wordt het Osanna uit het Sanctus herhaald.

Het Agnus Dei begint heel onconventioneel met een fugatische bewerking van een thema van Bach (van de fuga in c-klein uit het eerste boek van het wohltemperierte Klavier). Een belangrijke rol is weggelegd voor de trombones, die samen met de syncopische bas een wat dreigende, angstige sfeer oproepen, die sterk contrasteert met de zachte, door strijkers

omlijste smeekbede miserere nobis. In het Dona nobis pacem aan het eind maakt de toonsoort van c-klein plaats voor de hoofdtoonsoort van Es-groot. Schubert sluit af met een korte terugkeer naar het donkere motief van het Agnus Dei, gevolgd door een herhaling van Dona nobis pacem, waardoor dit hele deel een – tamelijk uitzonderlijke – grote eenheid verkrijgt.

Deze mis maakt meer dan welk ander werk ook duidelijk, hoezeer Schubert tot het eind van zijn leven worstelde met de fuga en streefde naar een groter meesterschap op dit gebied. Zeker hebben zijn fuga’s sinds de eerste mis een grote evolutie doorgemaakt en weet hij ze in zijn laatste missen tot het eind toe te componeren; maar hij besefte kennelijk maar al te goed dat hij nog niet volleerd was. Dat hij in zijn laatste mis twee thema’s aan Bach ontleend heeft toont aan, dat hij zich in deze meester was gaan verdiepen. Bovendien meldde hij zich nog op 4 november 1828, twee weken voor zijn dood, als leerling aan bij Simon Sechter, de grootste autoriteit in Wenen op het gebied van de contrapunt.
Terug naar de inhoud