Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
Requiem (Anton Bruckner)
Requiem in d-Moll WAB39-Anton Bruckner
Gem. Chor Biberist
contrapunkt chor AdHoc
Orchestra Ilze Paegle
Soprano Bernadeta Sonnleitner  
Alto Matthias Müller  
Tenor Ralf Ernst
Bass Conducted by Maija Breiksa

Oefennummers:
Requiem
Requiem d-Moll
 
Bruckner werd geboren in het dorpje Ansfelden in Oostenrijk, waar zijn vader schoolmeester was. De jonge Bruckner studeerde piano, viool, orgel en compositie bij uitstekende leraren in zijn omgeving. Na het overlijden van zijn vader werd hij naar een kloosterschool bij Linz gestuurd en leek hij voorbestemd om zijn vader op te volgen als dorpsschoolmeester. Een aanstelling als organist in de kerk van Stift Sankt Florian voerde hem echter terug naar de muziek. Bruckner legde zich voornamelijk toe op de genres symfonie (hij schreef elf groot opgezette symfonieën) en religieus koorwerk, en bereikte daarin grote hoogten.
 
Het Requiem schreef Bruckner naar aanleiding van het overlijden van Franz Sailer, zijn geliefde mentor in het klooster Sankt Florian. In maart 1849 was het voltooid en hoewel Bruckner toen 25 jaar oud was, is dit werk als een jeugdwerk te beschouwen omdat hij zich pas op zijn veertigste capabel achtte om aan de vrije compositie te beginnen. Precies een jaar na het overlijden van Sailer werd het werk voor het eerst uitgevoerd in de kloosterkerk. Daarna bleef het vele jaren in de la liggen. Als in 1892 het werk op verzoek van Bruckner opnieuw wordt uitgevoerd ter nagedachtenis aan een andere vriend, zal hij over zijn Requiem zeggen: “Het is niet slecht.” In 1930 werd het werk voor het eerst gedrukt en uitgegeven.
 
Dit Requiem bewijst Bruckners kunst in vierstemmige koorstukken. Heel duidelijk is dat de muziek gezet is naar de woorden en geworteld is in de stijl van de kerkmuziek van die tijd. Opvallend is de benadrukking van de afzonderlijke lettergrepen waardoor een soort van “marcato”-effect wordt bereikt. Door het hele werk heen is de invloed van Mozart te horen. Met name de terughoudende opening en de toonsoorten vertonen overeenkomst met het Requiem van Mozart. Toch wordt het persoonlijke genie van Bruckner in dit werk, dat tevens de traditie van Michael Haydn volgt, nu en dan reeds duidelijk aangekondigd. Bijvoorbeeld aan het begin van het aangrijpende Dies irae, waar Bruckner, zoals hij dit later ook in zijn missen zal doen, het passagewerk van het strijkorkest gebruikt als stimulerende achtergrond. De uitbundige fuga Quam olim Abrahae en passages als Hostias en Benedictus met hun ingetogen sfeer zijn indrukwekkende hoogtepunten. Bij alle eenvoud en zorgzaam gebruik van stemmen en instrumenten geeft het werk door het samenspel van de klanken een diepe emotie weer.
Terug naar de inhoud