Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
1.Herzlich lieb hab ich dich, o Herr BuxWV 41 (Dietrich Buxtehude)
Herzlich Lieb Hab Ich Dich, O Herr (Bux WV 41) - Buxtehude
Jos van Immerseel · Collegium Vocale · The Royal Consort · Orchestra Anima Eterna

Dietrich Buxtehude (ook Dieterich, Diderich of Diderik gespeld) (Helsingborg of Oldesloe, ca. 1637 – Lübeck, 9 mei 1707) was een Deense-Duitse componist, klavecinist, organist, muziekpedagoog en muziekorganisator van wie de exacte geboortedatum niet bekend is. Buxtehude is een van de markantste vertegenwoordigers van de Noord-Duitse barok en oefende vooral door zijn vrije orgelcomposities, die superieur zijn aan zijn koraalbewerkingen, grote invloed uit in Noord-Duitsland, ook op Johann Sebastian Bach, die hem bezocht en zijn werken bestudeerd heeft. Buxtehude werd geboren tijdens de Dertigjarige Oorlog en er is slechts een vermoeden waar hij geboren is.
De volgende steden komen in aanmerking als geboorteplaats (in volgorde van afnemende waarschijnlijkheid):
  • Helsingborg (toen Denemarken, nu Zweden) Oldesloe in Holstein (Duitsland)
  • Helsingør (Denemarken)
Dieterich Buxtehude was de zoon van de organist Hans Jensen Buxtehude (Buxtehude is de naam van een stadje ten westen van Hamburg). Zijn jeugd bracht Buxtehude vanaf 1641 door in het toenmalige Deense Helsingborg en in Helsingør. Hij doorliep daar (vermoedelijk) de Latijnse school.
Dieterich Buxtehude is bij het grote publiek vooral bekend door Johann Sebastian Bachs bewondering voor zijn orgel- en componeerkunsten: hiervoor reisde  Bach naar het noord-Duitse Lübeck, om er maar liefst vier maanden te verblijven. Dit feit zegt iets over de kwaliteit van Buxtehude's kunsten, maar ook over de invloed van Bach op de muziekgeschiedenis - niet alleen die na hem, maar ook vóór hem… De muziek van Buxtehude (van oorsprong een Deen!) blijkt echter ruimschoots op eigen benen te kunnen staan. Buxtehude heeft bijna veertig jaar in Lübeck gewoond en gewerkt, en heeft daar in deze tijd grotendeels het muziekleven bepaald. Beroemd werden zijn zelfbedachte en georganiseerde 'Abendmusiken' - muziekuitvoeringen buiten de kerkelijke liturgie om. Van Buxtehude's vocale muziek is het meeste overgeleverd, en hier is dan ook het beste zijn enorme fantasie en creatieve vrijheid te zien. Als organist was Buxtehude's faam wijd verspreid, en als je zijn orgelpreludes beluistert hoor je snel waarom: ook hier is de variatie enorm. Gecombineerd met een ongekende virtuositeit was hiermee zijn roem snel gevestigd. Dan verbaast het ook niet meer, dat Bach hier een flinke reis voor over had!

Toelichting Herzlich lieb hab ich dich, o Herr BuxWV41
De Lübecker organist Dietrich Buxtehude schreef een overvloed van muziek voor rijke kooplieden die voorafgaand aan de opening van de beurs een kerkconcert bezochten. Wie in Lübeck omstreeks 1650 zaken aan de beurs wilde doen, en zich al vroegtijdig zich in de stad bevond, kon de tijd aangenaam verkorten door een concert bij te wonen. Naast de deur, in de Marienkirche, vonden speciaal voor de beurshandelaren orgelconcerten plaats waar de Lübecker organist Franz Tunder tegen een matig entreegeld te horen was. Tunders opvolger, Dietrich Buxtehude, maakte van dit unieke entertainment een exclusieve concertserie. Buxtehude bood op zondag vijf concerten aan met grote bezetting: avondvullende oratoria, grote cantates en kamermuziek. De entree tot Buxtehudes ‘Abendmusiken’ was gratis, maar als je een zitplaats wilde, moest je er voor betalen. Voor een gedrukt programmaboekje verlangde Buxtehude eveneens geld - de rijke Lübecker burgers en kooplui betaalden graag voor deze service. Naast de Lübeckers kwamen musici en muziekliefhebbers uit heel Duitsland om Buxtehudes concerten en vooral zijn orgelspel te horen - hij was een van Europa’s beroemdste organisten. De jonge Johann Sebastian Bach maakte een ruim 400 kilometer lange voettocht van Arnstadt naar Lübeck, wat enige ergernis bij zijn werkgever wekte, omdat hij zijn verlof eindeloos verlengde. Ook Georg Friedrich Händel reisde in 1703 van Hamburg naar Lübeck en was onder de indruk van Buxtehudes vakmanschap. Het componeren van cantates voor de eredienst behoorde niet tot het takenpakket van Buxtehude; dat was een zaak van de cantor. Buxtehude, de organist, was dus alleen voor de orgelmuziek in de Marienkirche verantwoordelijk. Toch is uit zijn penneveer een rijkdom van geestelijke cantates overgeleverd. Hij schreef ze voor zijn kerkelijke, niet-liturgische concerten en voor de Abendmusiken. Waarschijnlijk ontstond ook de cantate ‘Herzlich lieb hab ich dich, o Herr’ voor deze gelegenheid. De tekst is een protestants kerklied van de Wittenberger theoloog Martin Schalling uit het jaar 1569 (bekend is vooral het laatste vers ‘Ach Herr, lass dein’ lieb’ Engelein’ dat Bach gebruikte voor zijn slotkoor in zijn Johannes-Passion). De bijbehorende melodie is anoniem, maar was in Buxtehudes tijd al wel bekend. Deze koraalmelodie is de muzikale basis van Buxtehudes groot opgezette cantate: ze omvat 300 maten en behoort in haar heldere architectuur, harmonische rijkdom en kunstrijke muzikale tekstuitbeelding tot de mooiste cantates uit de barok. De koraalcantate bestaat uit drie verzen naar de verzen van het lied zelf. In het eerste vers introduceert de sopraansolist de koraalmelodie eenstemmig, na een kort ritornel. Bij de woorden ‘Herr Jesu Christ’ legt Buxtehude een bijzondere nadruk met een adagio passage beginnend bij Herr. In vers 2 komt het koor aan bod alwaar het imitatorisch de tekst ‘Es ist ja, Herr dein Geschenk und Gab’ zingt. Al vragend sluit het af (‘ja, Herr?’) om bevestigend in een 3/2 maatsoort verder te gaan. Midden in vers 2 verandert het stuk van karakter en komt er opeens een tritonissprong in de bas bij de tekst ‘Behüt mich, Herr, vor falscher Lehr’. Prachtig schrijnende chromatische schreden klinken bij het woord ‘falscher’. Op het eind een troostend tempo giusto in 3/2, waar bevestigd wordt dat ‘mein Herr und Gott’ onze ziel troost in ‘Todesbanden’. Onder tremulo van de violen wordt het laatste vers ingeleid. De twee solisten zingen over ‘am letzten End’ en daarmee is de toon gezet. Pas als het ‘liebe Engelein in Abrams Schoss’ voorbij is, zingt het koor over zijn rust - plaats. Weer in het terugkerende 3/2 metrum, zij het ‘gar sanft’. Prachtige tekstuitbeelding wederom op ‘ruhn’ waar lange tonen komen en langzaam weer verdwijnen. Maar op het moment dat het lichaam uit de dood wordt gewekt schetteren bij de daarbij behorende vreugde de trompetten: ‘In aller Freud, o Gottessohn’. Bij het daaropvolgende aanroepen van Jezus Christus valt het woord ‘Herr’ steeds op de tweede tel van de maat (Vader, Zoon en Heilige Geest). De cantate sluit af met een krachtig en vrolijk einde - hoe droevig we ook begonnen. Het virtuoze ‘Amen’ (Allegro) bevestigt dit nog maar eens.


Terug naar de inhoud