Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
J. S. Bach: Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ (BWV 177)
Amsterdam Baroque Orchestra & Choir
Ton Koopman
Sandrien Piau, soprano
Bogna Bartosz, alto
Christoph Prégardien, tenor
Toelichting:
Bach componeerde cantate 177 voor de 4e zondag na Trinitatis, 6 juli 1732, dat wil zeggen in een periode waarin hij al lang geen wekelijkse cantates meer schreef. De reden dat nu toch nog eens te doen was zijn wens enkele lacunes op te vullen in de jaargang op koralen gebaseerde cantates (‘koraalcantates') die hij gedurende zijn tweede seizoen in Leipzig (1724/25) componeerde. De 4e zondag na Trinitatis ontbrak in die reeks omdat die zondag in 1724 samenviel met de feestdag van Maria Bezoek (Visitatie) waaraan voorrang verleend moest worden. Bij zijn latere aanvullingen op de koraalcantatejaargang had hij echter niet meer de beschikking over de tekstdichter, wiens plotselinge overlijden waarschijnlijk het voortijdige einde van dat project veroorzaakte, en die hem steeds had voorzien van libretto's met het karakteristieke stramien: originele koraalverzen voor het openingskoor en slotkoraal, en parafraserende herdichtingen van ‘binnencoupletten' ten behoeve van aria's en recitatieven. Voor zijn latere aanvullingen valt Bach daarom vaak terug op een ouder soort koraalcantate, het per-omnes-versustype, waarbij de ongewijzigde koraalcoupletten als cantatetekst fungeren; een dergelijke koraalcantate had hij in zijn jeugd ook wel eens geschreven: BWV 4 in 1707. Zo'n tekst, bestaande uit een reeks even lange, ritmische en rijmende strofen is niet bijzonder geschikt voor da-capoaria's en ritmisch vrije recitatieven, en het lijkt er dan ook op dat Bach er ten behoeve van BWV 177 eens goed is voor gaan zitten om deze compositorische problemen creatief op te lossen.
De vijf delen van cantate 177 zijn gebaseerd op de vijf coupletten van het lied Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ, in 1530, dus in de Gründerjahre van de Reformatie, gecomponeerd door de theoloog Johann Agricola (1494-1566), een leerling en vriend van (maar later gebrouilleerd met) Luther. Het koraal is één van de Hauptlieder voor de 4e zondag na Trinitatis; Bach gebruikte het al in 1715 als slotkoraal voor een andere cantate (BWV 185) voor deze zondag.
Het lied heeft de kenmerkende A-A-B-structuur van veel koralen: de melodie van de eerste paar regels (hier: twee) wordt herhaald in de volgende, de zogeheten 'Bar-vorm' (onvertaalbaar) die al in de middeleeuwen door Minne- en Meistersinger werd gebruikt. Twee Stollen, tesamen het Aufgesang vormend, worden gevolgd door een Abgesang, zie de pop-up. De A-A-B-structuur dringt zich uiteraard op aan het openingskoor omdat daarin de koraalmelodie een hoofdrol speelt; Bach hoeft dus voor de regels 3 en 4 geen nieuwe muziek te schrijven. Maar ook in de drie volgende aria's verwijst Bach naar deze structuur. Ook in aria (2) klinkt het tweede paar regels op dezelfde muziek als de eerste (A-A-B), in aria (3) keert hij het om: het Aufgesang wordt als één tekstblok slechts éénmaal gezongen maar het Abgesang wordt in zijn geheel (gevarieerd) herhaald, A-B-B', een "anti-Bar-vorm", en in aria (4) combineert hij de twee voorgaande structuren: A-A'-B-B'


Terug naar de inhoud