Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
Bach - Cantate Ich will den Kreuzstab gerne tragen BWV 56
Nederlandse Bachvereniging
Fabio Bonizzoni, orgel en leiding
Matthias Winckhler, bas
Maria Keohane, sopraan
Barnabás Hegyi, alt
Robert Buckland, tenor

Toelichting:
Bach schreef één van zijn beroemdste en meestgespeelde cantates, de solocantate voor bas Ich will den Kreuzstab gerne tragen (BWV 56) voor 27 oktober 1726, de negentiende zondag na Trinitatis.
De cantate behoort tot een reeks solocantates die Bach in de herfst van 1726, de 'late Trinitatistijd', schrijft voor elk van de stemmen: een week eerder voor de alt (BWV 169), drie weken later voor de tenor (BWV 55) en weer een week later voor de sopraan (BWV 52); steeds komen alleen in het vierstemmige slotkoraal de andere stemmen aan bod.
Pas sinds 2015 kennen we de auteur van al deze libretti, Christoph Birkmann (1703 - 1771), predikant te Neurenberg. Hij studeerde van 1724 tot 1727 in Leipzig, zong en speelde daar onder Bachs leiding terwijl zijn studierichting gaandeweg verschoof van wiskunde, natuurwetenschap en muziek naar theologie. Reeds in 1728 publiceerde hij een bundel cantateteksten voor alle zondagen van het kerkelijk jaar, een 'jaargang', die hij had verzameld uit allerlei tekstbronnen waaronder Leipziger cantateuitvoeringen o.l.v. J.S.Bach; hij blijkt echter in deze bundel ook zelf een kundig tekstdichter en de auteur van acht cantatelibretti die Bach tussen 20 oktober 1726 en 2 februari 1727 op muziek zette en uitvoerde, achtereenvolgens de BWV-nummers 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58 en 82. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze cantates is dat ze vrijwel steeds zijn geschreven voor één of meer solisten, enkele volgen het dialoog-model en er is eventueel een slotkoraal maar nauwelijks koorwerk. Dat hangt samen met het karakter van hun teksten waarvan al eerder werd vermoed dat ze van de hand van eenzelfde auteur waren; die hebben een bij Bach ongewoon piëtistisch karakter, de zanger bespreekt veeleer de geloofservaringen en zieleroerselen van een Ich-figuur dan dat h/zij orthodox lutherse theologische inzichten wil overdragen. Birkmanns teksten kregen in Leipzig wellicht hun kans dankzij een creatieve impasse van Bach, getuige het feit dat deze in het voorjaar maar liefst achttien cantates uitvoerde van zijn Meininger achterneef Johann Ludwig. Misschien wilde hij compositorisch nieuwe wegen verkennen; hierop wijst het feit dat Bach, die zijn vocale kerkmuziek meestal aanduidt als motetto of concerto, BWV 56 voorziet van het uitzonderlijke opschrift Cantata a Voce Sola e Stromenti, omdat hij hier het dichtst in de buurt komt van het Italiaanse cantatemodel, dat slechts recitatieven en aria's op vrije teksten bevat.
Nadat Bachs tekstdichters zich in eerdere cantates voor deze 19e zondag na Trinitatis (BWV 48, 1723 en BWV 5, 1724) lieten leiden door wat toch wel als de hoofdzaak van de voorgeschreven evangelielezing (Matteüs 9: 1-8) kan worden beschouwd, de genezing van een verlamde ('Uw zonden zijn u vergeven'), is het libretto van deze cantate gebaseerd op wat eigenlijk slechts de inleiding tot deze pericoop is: Jezus' tocht over het meer van Genezareth en de aankomst in zijn vaderstad Kapernaüm. Deze overtocht wordt in de cantate, niet ongebruikelijk, opgevat als metafoor voor ‘s mensen levensreis, over woelige baren, bedreigd door stormen, tegenspoed en ongemak, en eindigend in de veilige haven van een beloofd land. Het in navolging van Christus dragen van het kruis is een zware tocht vol aardse beproevingen en bedreigingen, waarvan slechts de dood ons kan verlossen; voor de gelovige is die dood slechts een onschuldige slaap, een bevrijdend aankomen op zijn bestemming, met uitzicht op de hemel en de eeuwigheid.
De levensreis als vaartocht inspireerde Bachs tekstdichter tot een beeldenrijk libretto met over alle cantatedelen volgehouden nautische verwijzingen: einer Schiffahrt gleich, Wellen, Anker (2), den Port der Ruhe (4 en 5), meines Schiffleins Ruder (5) en de belangrijkste: de Kreuzstab.
Dat was in het Duitse lutheranisme destijds weliswaar geen erg gangbaar begrip, maar verwijst uiteraard in de eerste plaats naar het kruis dat Jezus tijdens zijn kruisgang letterlijk werd nagedragen door zijn eerste navolger, Simon van Cyrene, en dat vervolgens elke volgeling symbolisch op zich dient te nemen; ook de opgestane Christus en het Lam Gods worden er mee afgebeeld (afb. 1). Maar in de tweede plaats is de Kreuzstab ook een kruisvormig navigatieinstrument (afb. 2), in het Nederlands ´jacobsstaf´  genaamd, waarmee de hoogten van en de boogafstanden tussen hemellichamen kunnen worden gemeten, een voorloper van de sextant.
Het is (hier) in elk geval niet wat met het Nederlandse woord ‘kruisstaf' wordt bedoeld: de staf (ferula, afb. 3) waarmee de paus zich onderscheidt van de bisschoppen met hun ‘kromstaf'.
Dat Birkmann van deze cantatetekst de auteur is wordt - opmerkelijk genoeg - nog eens geïllustreerd door het feit dat hij als student natuurwetenschappen op 26 augustus 1726 een academisch referaat hield over driehoeksmeting en het gebruik van Jakobsstaf, nauwelijks twee maanden voor de cantate in première ging!
Intussen moet Bach dus wel hebben kunnen beschikken over een tamelijk geverseerde bassolist. De onderzoeker Hans-Joachim Schulze meent deze te hebben geïdentificeerd als de begaafde rechtenstudent Johann Christoph Samuel Lipsius; voor hem zou Bach vier maanden later ook het minstens zo beroemde Ich habe genung (BWV 82) hebben gecomponeerd.

Terug naar de inhoud