Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
BWV 228 (Johann Sebastiaan Bach)
Motet Fürchte dich nicht - BWV 228
Waalse Kerk Amsterdam, 11 mei 2013 Johann Sebastian Bach:
Uitvoerenden Musica Amphion & Gesualdo Consort Amsterdam
Hana Blažikova, sopraan
Stephanie Petitlaurent, sopraan
Marnix De Cat, alt
Terry Wey, alt
Harry van Berne, tenor
Charles Daniels, tenor
Jelle Draijer, bas
Harry van der Kamp, bas
Leo van Doeselaar, orgel
Pieter-Jan Belder en Harry van der Kamp, artistieke leiding


Oefennummer:
BWV 228
Lang werd gedacht dat het dubbelkorige motet Fürchte dich nicht (BWV 228), waarvan de partituur slechts in postume afschriften bekend is, uit Bachs Leipziger periode stamde; het zou (Richter, 1912) geschreven zijn voor de herdenkingsdienst (Leichenpredigt) op 4 februari 1726 voor Frau Stadthauptmann Packbusch. Veel meer dan een onbewezen hypothese is dit nooit geweest. Inmiddels staat wel vast dat  Bach dit motet al in Weimar, omstreeks 1714 moet hebben gecomponeerd. Daarop wijzen enkele muzikale verwantschappen (zie onder), maar ook de structurele gelijkenis met dat andere oude motet, Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn (BWV Anh.159): een achtstemmig/dubbelkorig en overwegend homofoon eerste deel gevolgd door een polyfone vierstemmige koraalbewerking. Het 'oude' karakter blijkt ook uit het feit dat BWV 228 slechts op bijbel- en koraalteksten is gebaseerd; er komt nog geen vrije poëzie aan te pas.
De twee delen van BWV 228 zijn gebaseerd op twee verzen uit het oudtestamentische bijbelboek Jesaja, resp hoofdstuk 41:10 en 43:1b; deze bemoedigende en beloftevolle teksten worden geacht door de profeet Jesaja namens God te zijn gesproken tot het volk Israël. Christenen beschouwen ze als tot hen te zijn gericht. Deze twee enkele hoofdstukken uit elkaar liggende teksten zullen niet in de laatste plaats zijn gekozen omdat ze allebei beginnen met de woorden Fürchte dich nicht , 'vrees niet', een eigenschap waar Bach dankbaar gebruik van maakt: de woorden verschijnen vanzelf aan het begin en op de overgang van deel I naar deel II; door ze ook aan het eind te herhalen legt Bach een structurerende accolade over het gehele stuk. Bachs 'profunde Onkel', Johann Christoph (1642-1703), componeerde trouwens ook een motet met deze titel, maar uitsluitend over het tweede Jesajavers.

Bron: Eduard van Hengel
Terug naar de inhoud