Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
Keiser Reinhard (attr.) - Markus Passion (around 1705)
Tenor [Evangelist]: Gerd Türk;
Bass [Jesus]: Jacque Bona;
Soprano: Monique Zanetti;
Counter-tenor: Kai Wessel;
Tenor [Petrus]: Bruno Renhold;
Tenor [Pilatus]: Samuel Husser.
Ensemble Vocal Sagittarius
Le Parlement de Musique
Michel Laplénie
Oefennummers.
St. Marc Passion
Bladmuziek.
Toelichting
De St. Marc Passion van Reinhard Keiser lezen we dat Reinhard Keiser helemaal niet de componist is, maar dat het een werk is van de hand van Friedrich Nicolaus Bruhns (1637-1718), die net als Reinhard Keiser in Hamburg werkzaam was. Bruhns was kantor van de Dom, is ook bekend onder de naam Brauns, en om het nog ingewikkelder te maken had hij een beroemde orgelspelende neef die ook componeerde, Nikolaus Bruhns (1665-1697) - diens geweldige Praeludium in e komen we nog regelmatig op orgelrecitals tegen.
Dat we überhaupt iets weten over het bestaan van deze passiemuziek is de schuld van Johann Sebastian Bach. Nog voor Bach met zijn eigen passiemuzieken aan de slag ging voerde hij deze Markuspassie uit, eerst rond 1713, en later nog eens in 1726 of 1727. De partijen zijn voor een deel overgeleverd in het handschrift van Johann Sebastian, die er ook de naam van de door hem veronderstelde auteur bijzette, Reinhard Keiser. Wellicht heeft Bach het materiaal mogen kopiëren van Keiser, en is zo in de veronderstelling geweest dat die ook de componist was. Pas in 1999 zijn musicologen tot de conclusie gekomen dat het werk in 1702 geschreven werk door Friedrich Nicolaus Bruhns (Brauns). Wie op het internet op zoek gaat naar uitvoeringen van deze passiemuziek komt behalve de naam Keiser ook de namen Bruhns en Braun tegen.
Met name in Duitsland mag deze passiemuziek zich in een zekere populariteit verheugen, waarschijnlijk door de compacte factuur en de relatief lage eisen die aan de uitvoerenden gesteld worden (en het keurmerk van Bach). Wat direct opvalt aan deze partituur is de manier waarop de recitatieven van de Christuspartij begeleid worden: met een aureool van strijkers, zoals we dat ook kennen uit de passiemuzieken van Bach. Voor de rest bevat dit werk geen monumentale koren, en slechts korte aria's.

Reinhard Keiser (Teuchern, 10 januari 1674 - Hamburg, 12 september 1739) was een barokcomponist en operaproducent. Keiser had een rusteloze natuur, telkens weer andere posities vervullend.
Zijn vader, Gottfried Keiser, was organist en trouwde in 1673 met de zwangere 16-jarige dochter van een verarmde landjonker, Agnes Dorothee von Etzdorff. Vanaf 1685 studeerde Keiser zeven jaar aan de beroemde Thomasschule in Leipzig, waar Johann Schelle als cantor was aangesteld. Keiser volgde lessen in Braunschweig bij Johann Sigismund Kusser, een leerling van Jean Baptiste Lully. In 1690 opende de opera haar deuren, beschermheer was Anton Ulrich. In 1693 werd daar Keisers eerste opera Basilius in Arkadien opgevoerd.
In 1697 verhuisde Keiser naar Hamburg, waar hij de positie van artistiek directeur en manager van Kusser had overgenomen. Keiser begon aan zijn rijke productie voor de opera aan de Gänsemarkt en maakte het theater beroemd. De opera Mahumet II uit 1696 schijnt zijn eerste productie te zijn geweest.
Keiser schreef aan de lopende band, 116 opera's, waarvan er ongeveer 24 bewaard zijn gebleven. Ook begon hij met het geven van concerten op zondagmiddag. Christoph Graupner speelde klavecimbel in zijn orkest en Georg Friedrich Händel was zijn tweede violist. Keiser gaf Händel toestemming zijn opera Almira uit te voeren. Händel gebruikte enkele jaren later voor zijn opera Agrippina, geschreven in Italië, delen uit Octavio van Keiser.
In 1706 werd Keiser verwijderd van zijn positie als manager door de Hamburgse Senaat vanwege zijn excessieve uitgaven. De opera werd failliet verklaard en Keiser ontvluchtte de stad. Keiser bleef met indrukwekkende regelmaat schrijven voor het theater in Hamburg, ook toen hij in Weißenfels werkte en in Eisenach een betrekking probeerde te krijgen.
Keiser werkte van 1709 tot 1716 opnieuw in Hamburg, vervolgens in Stuttgart en als hofkapelmeester in Kopenhagen. Telemann nam in 1722 zijn positie over aan de opera. Keiser werd in 1728 benoemd tot kantor van de Dom, als opvolger van Johann Mattheson, die doof was geworden. Vanaf dat moment wijdde hij zich meer aan kerkmuziek.
Zijn Marcuspassie heeft vanwege zijn lyrische en dramatische momenten kwaliteit. Het werk is overgeleverd in een handschrift uit 1713 van Bach, die het minstens tweemaal heeft uitgevoerd. Of deze Marcuspassie werkelijk van Keisers hand is, wordt betwijfeld. Ook Friedrich Nicolaus Bruhns, die het werk in 1707 uitvoerde in de Domkerk in Hamburg, zou de componist kunnen zijn. In diens oeuvre zou het beter passen en er zijn geen aanwijzingen dat Keiser al vroeg in de 18e eeuw bemoeienis had met passiemuziek voor de liturgie.[1]
Die großmütige Tomyris (1717) en Croesus (1730) gelden als zijn beste opera's, rijk georkestreerd.
In Teuchern is de Reinhard-Keiser-Gedenkstätte aan zijn werk en leven gewijd.
Terug naar de inhoud