Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
Bach Kantate BWV 98 »Was Gott tut, das ist wohlgetan
Gaechinger Cantorey
Hans-Christoph Rademann | Dirigent
Katharina Konradi | Sopran
Anke Vondung | Alt
Sebastian Kohlhepp | Tenor
Felix Schwandtke | Bass
Toelichting:
Driemaal componeerde Bach een cantate met als eerste deel een koraalfantasie over het eerste couplet van het lied Was Gott tut, das ist wohlgetan. Als eerste de als tweede (II) gepubliceerde BWV 99, een echte ‘koraalcantate' volgens het specifieke procédé dat Bach in het seizoen 1724/'25 volgde: met een openingskoor en een slotkoraal op de ongewijzigde koraaltekst en tot recitatieven en aria's geparafraseerde ‘binnencoupletten'. Na 1732 hergebruikte hij het openingskoor van BWV 99 voor een cantate zonder specifieke liturgische bestemming die vervolgens ook de vijf overige koraalcoupletten letterlijk volgde: de als derde (III) gepubliceerde BWV 100.
De eerst gepubliceerde BWV 98 ontleent het minst van de drie aan het bekende uit 1674 stammende koraal van Samuel Rodigast (1649-1708);  Bach gebruikt alleen het eerste couplet voor een beginkoor, dat ook veel eenvoudiger is dan de meeste koraalfantasieën uit de koraalcantatejaargang. Dat past bij de kamermuzikale proporties van BWV 98.
De cantate werd geschreven voor 10 november 1726, de éénentwintigste zondag na Trinitatis, waarvoor Bach eerder de cantates BWV 109 (Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben, 1723) en BWV 38 (Aus tiefer Not schrei ich zu dir, 1724) componeerde en twee jaar later nog BWV 188 (Ich habe meine Zuversicht, 1728).
De tekst van Bachs Leipziger librettist Christoph Birkmann houdt slechts losjes verband met de evangelietekst voor deze zondag, Johannes 4: 46-54, het verhaal van de hoveling wiens zoon op sterven ligt maar door Jezus wordt genezen op grond van ‘s mans sterke geloof, dat niet om zichtbare tekenen of bewijzen vraagt. Het al genoemde openingskoor wordt gevolgd door twee recitatief/aria-paren, die respectievelijk de menselijke behoefte aan God en Gods betrouwbaarheid thematiseren. Er is geen slotkoraal, enigszins opmerkelijk voor een liturgische cantate die wel een openingskoor omvat; maar zie (5). Ook de instrumentale bezetting is bescheiden: er spelen weliswaar drie hobo's (waaronder een althobo, de taille ), maar zij versterken slechts de koorstemmen in het openingskoor.

Terug naar de inhoud