Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening
Koorpartij-oefening.nl
Ga naar de inhoud
O How Amiable (Vaughan Williams)
O How Amiable (Ralph Vaughan Williams)
The Choir of Somerville College, Oxford
Douglas Knight (organ)
David Crown (conductor)
Somerville College Chapel, 4 March 2012

Oefennummer.  
Bladmuziek
De anthem "O How Amiable" maakt deel uit van de  Abinger optochtmuziek, gecomponeerd door Ralph Vaughan Williams (1872-1958) ten bate van
het onderhoudsfonds van de  Abinger kerk die in 1934 was gebouwd. Het had oorspronkelijk militaire bandbegeleiding, maar werd later door de componist
gearrangeerd voor orgel. Het anthem bevat bijbelteksten uit Psalm 84 en 90 en sluit af met het eerste vers van de hymne, "O God our help in ages past"
(Melodie: St. Anne, woorden door Isaac Watts (1674-1748).

Ralph Vaughan Williams
Ralph Vaughan Williams was van Welshe en Engelse afkomst. Aan vaderszijde stamde hij uit een familie van advocaten, rechters en dominees. Zijn
overgrootvader, John Williams (1757-1810), werd geboren in Carmarthen (Zuidwest-Wales) en werd opgeleid aan Jesus College en Wadham College aan de
Universiteit van Oxford. Uiteindelijk werd hij advocaat (barrister) en serjeant-at-law (een ander type advocaat) bij het Court of Common Pleas in Londen.
Tevens schreef hij over Engels gewoonterecht.
Zijn zoon Edward Vaughan Williams (1797-1875) werd opgeleid aan Winchester College en Westminster School alvorens aan Trinity College aan de
Universiteit van Cambridge te studeren. Ook hij begon aan een carrière in het Engelse recht en schopte het uiteindelijk tot Justice of the Common Pleas,
een rechter aan het hooggerechtshof voor gewoonte- en civielrecht. Hij werd geridderd in 1847.
Edward Vaughan Williams schijnt de eerste te zijn geweest die zijn tweede naam als eerste deel van zijn achternaam gebruikte.
Een van zijn zonen, Roland Vaughan Williams, zou in 1897 een van Engelands opperrechters worden. Een andere zoon, Arthur Vaughan Williams (1834-1875),
studeerde theologie in Oxford en werd in 1860 tot deken gewijd. Goede vrienden met historicus Herbert William Fisher (1826-1903) van Tanhurst ontmoette
hij Margaret Wedgwood (1843-1937) van Leith Hill Place nabij Tanhurst en Dorking in Surrey. Zij was de dochter van Josiah Wedgwood III en
Caroline Darwin. Zij trouwden in 1868 en kregen drie kinderen: Hervey (1869-1944), Meggie (1870-1931) en Ralph.

Vaughan Williams bracht de eerste tweeënhalf jaar van zijn leven door in Down Ampney, Gloucestershire, waar zijn vader de dominee en schoolmeester was.
Op 19 februari 1875 overleed Vaughan Williams' vader. Vervolgens verhuisde Margaret Vaughan Williams-Wedgwood met haar kinderen naar haar ouderlijk
huis, Leith Hill Place, waar zij introk bij haar ouders en haar vrijgezelle zus, Sophy Wedgwood (1842-1911). Vaughan Williams leerde in de lente van 1876
lezen van zijn grootmoeder, Caroline Darwin, uit Cobwebs to Catch Flies (1837). De Wedgwoods behoorden tot de gegoede burgerij en überhaupt werden in
Leith Hill Place veel romans, poëzie, geschiedenisboeken en biografieën gelezen, vaak hardop.
De eerste stappen op het muzikale pad zette Vaughan Williams met zijn tante Sophy, die hem piano leerde spelen uit
A Child's Introduction to Thorough Bass (1819). Uit deze tijd stamt ook Vaughan Williams' allereerste muzikale creatie, The Robin's Nest (1878). Verder was
zijn grootmoeder Caroline muzikaal en correspondeerde hij met de broer van zijn kindermeid, Sarah Wager, die organist was. In 1880 leerde
Vaughan Williams meer over muziek uit John Stainers A Theory of Harmony (1871) en volgde hij een schriftelijke muziekcursus aan de Universiteit van
Edinburgh. Het jaar ervoor had hij vioolles gehad en ontdekte hij zijn voorkeur voor strijkinstrumenten als viool en viola in tegenstelling tot piano. Een andere
interesse, architectuur, werd ontdekt in 1882 toen Vaughan Williams met zijn broer, zus en moeder naar Normandië reisde en voor de eerste maal
Mont Saint-Michel aanschouwde. Hij verslond boeken over Normandische en gotische architectuur. (Vaughan Williams zou later zijn architectonische
kennis combineren met zijn muzikaal talent. Bijvoorbeeld Fantasia on a Theme of Thomas Tallis (1910) werd geschreven met de gotische ruimte van de
Kathedraal van Gloucester in gedachte.

In 1883 volgde Ralph Vaughan Williams zijn broer Hervey naar Field House School in Rottingdean (Sussex). De school kende een vrij streng regime.
Vaughan Williams herinnerde zich echter voornamelijk de muzikaliteit van de 'second master' (onderdirecteur) van de school, Billy Hewitt. Hij leerde spelen
uit The Bach Album van Bertold Tours en kreeg vioolles van een Ier, Mr. Quirke, die hem de Cavatina van Joachim Raff leerde. Het was tevens Billy Hewitt
die Vaughan Williams meenam naar Brighton voor een concert dat bestond uit Invitation à la Valse van Hector Berlioz en Carl Maria von Weber,
de Eroica-symfonie van Ludwig van Beethoven en de prelude van Lohengrin en De Walkurenrit van Richard Wagner. Verder leerde Vaughan Williams
wiskunde, Latijn en Grieks en een beetje Duits.
Na vier jaar aan Field House School ging Vaughan Williams vanaf januari 1887 naar Charterhouse School nabij Godalming, Surrey, ongeveer vijfentwintig
kilometer ten zuidwesten van Dorking en Leith Hill Place. Charterhouse School was een kostschool. Hier was hij een tijdgenoot van de schrijver
Max Beerbohm (1872-1956).

Vanaf 1890 studeerde hij aan het Royal College of Music in Londen bij Hubert Parry en Charles Villiers Stanford. Daarna vervolgde hij zijn studies van
1892 tot 1895 bij Charles Wood aan het Trinity College van de Universiteit van Cambridge en in 1896 opnieuw in Londen, waar hij bevriend raakte met
Gustav Holst. Verder studeerde hij 1897 bij Max Bruch in Berlijn. In 1908 was hij de laatste leerling van Maurice Ravel.
In 1897 trouwde Vaughan Williams met Adeline Fisher. Van 1896 tot 1899 werkte hij in Londen als organist. In 1903 begon hij met het verzamelen en
publiceren van een collectie Britse liederen (Bushes and Briars, 1903). Verder ontwikkelde hij een liefde voor de Britse muziek van de Renaissance. Samen
beïnvloedden zij zijn compositiestijl. In 1905 werd hij muzikaal leider van het Leith Hill Musical Festival (tot 1953), in 1906 publiceerde hij een nieuw
christelijke liedbundel, The English Hymnal.
In 1910 publiceerde hij zijn eerst groot werk, A Sea Symphony, een symfonie, maar feitelijk een grote cantate voor soli, koor en orkest op een tekst van
Walt Whitman. In hetzelfde jaar werd ook zijn Fantasia on a Theme of Thomas Tallis gepubliceerd. In 1913 volgde de tweede symfonie A London Symphony.
In de Eerste Wereldoorlog was hij als militair in Frankrijk. Deze jaren lieten een diepe indruk bij hem na en beïnvloedden vooral zijn derde symfonie,
de Pastoral Symphony voor sopraan en orkest. In 1919 werd hij docent voor compositie aan het Royal College of Music in Londen (tot 1938). Hij dirigeerde
ook de uitvoeringen van zijn eigen werken.
Zijn werken werden onderscheiden met talrijke prijzen. Zijn ballet Job uit 1930 naar het Bijbelse verhaal van Job, de vierde symfonie (1935) alsook de na de
Tweede Wereldoorlog gecomponeerde vijfde en zesde symfonie maakten hem heel bekend. In Engeland en daarbuiten werd hij ook bekend door zijn muziek
voor harmonieorkest of militaire kapel. Heel populair is zijn Fantasie op het Renaissance lied "Greensleeves" voor strijkorkest.
Voor de troonsbestijging van Koningin Elizabeth II schreef hij een arrangement van het koraal All people that on earth do dwell, een versie van Psalm 100
met de melodie The Old 100th als "offertorium".
Met zijn opera's had hij niet zoveel succes en ook zijn oratorische opera The Pilgrim's Progress naar John Bunyan, waaraan hij meer dan veertig jaar gewerkt
had, heeft hem weinig succes gebracht.

bron: wikipedia




 

Terug naar de inhoud